Leven aan boord

Het takenpakket van de matroos/lichtwachter bestond uit wachtlopen, bikken en schilderen, soppen en het weerrapport opmaken. Tijdens de vogeltrek zat het schip ’s nachts vol met spreeuwen en dan moest het de volgende ochtend eerst van boven tot onder worden schoongespoten. Ook werden voor bedrijven proeven gedaan. Bijvoorbeeld wat de invloed van zeewater op verf was. Het wachtlopen vond dag en nacht plaats. Als een schip te dicht in de buurt van het lichtschip kwam, werd per radio een oproep gedaan om haar koers te wijzigen. In de beginperiode, toen nog niet alle schepen van een scheepsradio waren voorzien of op de oproep reageerden, werden deze met de seinlamp van de situatie op de hoogte gebracht. De machinisten gaven in de machinekamer onderhoud aan de apparaten en de elektrische installatie. Na hun reguliere werkzaamheden had de bemanning nog twee uur ‘dorre toe’. Dit betekende dat zij nog twee uur huishoudelijke arbeid moesten verrichten, waaronder zowel binnen als buiten poetsen, boenen en soppen. Maar ook het bikken van roest en schilderwerk ontbrak niet op de werklijst. Het gezag aan boord leidde een zeer rustig leven. De gezagvoerder en de stuurman liepen wel regelmatig een wacht en de eerste hield ook het logboek bij. Hierin werden naast datum en tijd de bijzondere voorvallen opgetekend, alsmede het weer en of de waakboeien waren gepeild. Elk uur werden de weersgegevens opgenomen en via de radio aan de Kustwacht doorgegeven. Het lichtschip ontving op haar beurt van het KNMI de stormwaarschuwingen, zodat de bemanning de stormbal en het stormkwadrant konden hij¬sen. Later werden deze vervangen door de stormlantaarn, waarmee door een combinatie van rood en wit licht het stormkwadrant kon worden aangegeven. De stuurman bewaakte de voorraad. In hun spaarzame vrije tijd was de bemanning aan het knutselen, kaarten, dammen, schaken of studeren. Vissen was eveneens een leuk tijdverdrijf. De gevangen vis werd gerookt, gekookt of gebak¬ken. Vaak werd de gebakken vis ingelegd in het zuur dat was overgebleven van de augurken. Een geliefde bezigheid was de gerookte vis te ruilen voor drank en tabak. Als er dan een vrachtvaarder voorbij voer, werd de loodsjol te water gelaten en vond bij dit schip de ruil plaats. In de tijd dat de schepen nog geen koel- of vrieskast aan boord hadden, kwamen op woensdag de vissersschepen langszij. Voor de bemanning van deze schepen was extra brood gebakken, dat dan werd geruild voor een mandje vis.

© Copyright 2017 | Webontwerp: Webpartner.nl